Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie  "Dehonianen"

SCJ logo

“Zie daar het Hart, dat de mensen zozeer bemind heeft”.

Op zondag 3 juni 2018 is in het Sint Jozefklooster te Nijmegen van ons heengegaan onze medebroeder, lid van de Confederatie van de Nederlandse en Vlaamse provincie van de Priesters van het H. Hart van Jezus,

PATER PETRUS EGIDIUS FRANCISCUS DRIEDONKX SCJ

geboren op 7 mei 1928 te Bergeijk

geprofest op 8 september 1948 te Asten

priester gewijd op 18 juli 1954 te Nijmegen

Na zijn priesterwijding vertrok Guus in 1956 naar Chili, waar hij 50 jaar werkzaam is geweest. Afgezien van 4 jaar als leraar aan het seminarie in San Bernardo is hij al die tijd pastor geweest, in verschillende parochies. Een pastor toegewijd aan zijn mensen, levend midden tussen hen in.

In september 1988 werd hij tevens in Rome archivaris van de congregatie, een functie die hij combineerde met het pastoraat in Chili: hij reisde vrijwel elk jaar op en neer. Door zijn archiefwerk werd hij zo ook goed bekend met de geschiedenis en de huidige situatie van onze congregatie.

In 2006 keerde Guus terug naar Nederland en vestigde zich in het Nijmeegse Sint Jozefklooster. Hij werd daar gedurende 10 jaar conrector, met veel zorg voor zijn communiteit.

Wij missen in Guus een waardevolle medebroeder.

Gedenken wij pater Guus Driedonkx in onze gebeden.

We nemen afscheid van pater Guus Driedonkx in een Plechtige Eucharistieviering op zaterdag 9 juni 2018 om 10.30 uur in de kapel van het Sint Jozefklooster te Nijmegen. Daarna leggen wij hem te ruste op de begraafplaats in de kloostertuin.

Mede namens de familie

Provincialaat SCJ, Postbus 4609, 4803 EP Breda

J.F. de Rooij SCJ, Provinciaal Overste

IN MEMORIAM

PATER MARTINUS ANTONIUS VAN OOIJ S.C.J.

Martien is geboren op 14 december 1935 in Zeilberg-Deurne. In Asten is hij op 8 september 1956 door zijn religieuze geloften lid geworden van de congregatie van de Priesters van het H.Hart van Jezus. In Nijmegen is hij op 23 maart 1963 tot priester gewijd.

Een jaar later op 23 mei 1964 is Martien als priester-missionaris vertrokken naar Indonesië, waar hij werkzaam is geweest in het bisdom Tanjungkarang op Zuid-Sumatra in de provincie Lampung tot 1994. In al die jaren was hij werkzaam in de transmigratie gebieden, waar hij geconfronteerd werd met veel armoede. Vanwege de slechte economische situatie na de mislukte communistische opstand op 30 september 1965 werden de nieuwe transmigranten, die van het overbevolkte Java door de regering verhuisd waren naar Lampung, aan hun lot overgelaten. Groot gebrek aan voedsel, geen zaaigoed om te planten, geen medicijnen. Martien zag heel duidelijk dat hij als missionaris tekort zou schieten, wanneer er geen aandacht zou zijn voor de moeilijke situatie van deze mensen, die niet alleen behoefte hadden aan geestelijk voedsel, maar ook en veel meer aan materieel voedsel.

In 1968 stichtte hij een bisschoppelijk sociaal commissie op met als doel: mensen bewust maken dat hun leefsituatie geen noodlot is, maar dat zij zelf iets kunnen doen aan de verbetering van hun situatie. Dankzij steun en financiële hulp van het thuisfront kon Martien een sociaal plan opzetten, die het mogelijk maakte van het geven van naaicursussen, hygiëne, bewerken van de grond. Daarnaast zijn er projecten gestart zoals koeien, geiten, kippen, proeftuinen, Zijn kennis van het boerenbedrijf kwam hem daar goed van pas. Als karakteristieke uitspraak gaf hij het devies aan de mensen: KARDO. Een afkorting van KARYA-DOA, hetgeen betekent: WERK en BID. ‘Voordat je bidt, moet er gewerkt worden. Zonder bidden geen zegen over het werk; door alleen bidden krijgt de maag geen voedsel’. Martien spoorde de mensen aan om dit devies KARDO in grote letters op te hangen in ieder huis en in iedere kapel ter bemoediging om zich bewust te worden dat zij hun lot in eigen handen hadden.

Bijzondere aandacht had Martien voor de sociaal maatschappelijke vorming van de religieuzen, de zusters. Hij wist hen te bewegen in kleine communiteiten te gaan wonen en werken in het binnenland, speciaal in de nieuwe transmigratie gebieden. Zelf woonde Martien ook te midden van hen. Voor kansarmen heeft hij zich volledig ingezet voor een beter menswaardig bestaan. Tot 1994 woonde en werkte hij in het bisdom Tanjungkarang

In dat jaar kwam pater Bressanelli, de generaal overste, op bezoek bij de medebroeders in Indonesië. Aan Martien vroeg hij, of hij bereid was een nieuwe SCJ Missie te beginnen in India. Geschrokken van het verzoek was de reactie van Martien: maar hoe? Op welke manier? Het antwoord van pater generaal was: ‘ik weet het niet. De heilige Geest zal je vergezellen.’

Onder moeilijke omstandigheden heeft Martien met steun van de bisschop van Cochin, mgr. Joseph Kureethera, de eerste stappen gezet in India, in de provincie Kerala. Voor Martien een volstrekt onbekend land met een voor hem vreemde cultuur, totaal anders dan in Lampung Zuid-Sumatra. Het doel van de SCJ aanwezigheid in India: profeten te zijn van sociale gerechtigheid en liefde van het Hart van Jezus ten dienste van de Indiase mensen, vooral van de allerarmsten.

Eerste opgave: het stichten van een Indiase afdeling/regio van de :Priesters van het H.Hart van Jezus. Hetgeen betekende: zoeken van kandidaten voor het religieuze leven en mogelijkheden scheppen voor hun vorming. In 1995 werd de eerste nieuwbouw van het kleinseminarie te Kumbalanghy in gebruik genomen. Het bood onderdak aan 40 kandidaten vanaf 16 jaar, die een 3-jarige opleiding kregen.

Voor de zogenaamde late roepingen werd een huis gehuurd, waar de kandidaten een éénjarige vorming kregen alvorens te beginnen met de filosofie opleiding. De groei zette door. Er kwamen nieuwe medebroeders uit verschillende landen, die samen een internationale communiteit vormden. In 1997 werd een tweede huis geopend: grootseminarie voor filosofie. Ondertussen waren contacten gelegd met het bisdom Guntur, provincie Andhra Pradesh, 1700 km naar het Noordoosten. Daar werd een tweede kleinseminarie in gebruik genomen in 1999. Niet ver vandaan in Nambur een gebouw voor de vorming van postulanten en novicen in 2002. Tenslotte in hetzelfde bisdom een grootseminarie voor theologie studenten in 2004 in Eluru. De kandidaten worden tijdens hun opleiding en vorming bewust gemaakt van hun verantwoor4delikjkheid voor medemensen in zwakke posities. Daar is voor nodig met beide benen in de realiteit staan. SCJ-er zijn betekent niet op een troon geheven woorden. De opleiding is erop gericht dienaren van het volk zijn in navolging van Jezus Christus, die een open hart heeft voor zwakken en kleinen. Een van de karakteristieke uitspraken van Martien:’ God dienen is mensen dienen, Ga uit de sacristie en ga naar de mensen’.

In 2011 kwam abrupt een einde aan zijn priester-missionaris zijn in India. Een verlenging van zijn visum werd niet gegeven. Hij kwam op de ‘zwarte lijst’. Zo ook de verlenging van visa voor de andere buitenlandse medebroeders. Veel verdriet heeft Martien er over gehad. De Indiase medebroeders, hoewel nog jong in leeftijd en ervaring , zijn erin geslaagd de SCJ trein te laten doorrijden. Nu zijn er 49 Indiase SCJ priesters, 43 fraters, 13 novicen, 12 postulanten, 63 seminaristen.

Na een sabbat periode van een jaar in de Filippijnen keerde Martien terug naar Jakarta. Hij was sinds 1983 Indonesisch staatsburger. Als assistent pastor was hij werkzaam in de H. Stephanusparochie in Cilandak Jakarta. Veel aandacht had hij voor zieken en bejaarden. Hij leidde de Legio Maria samenkomsten. Zeer gezien en bemind was hij.

Voor zijn verdienste als missionaris, zijn inzet voor kansarmen ontving Martien de Koninklijke onderscheiding van de Ridder in de orde van Oranje Nassau in 2005.

Op 18 februari kwam het bericht, dat Martien onwel was geworden na een samenkomst van het Legio Maria. Uit onderzoek bleek, dat zijn hart niet goed functioneerde. Daarna kreeg hij een zware longontsteking en raakte besmet met een virus. Hij werd zieker en zieker tot er problemen waren met ademhalen. In een lichte coma is hij gebracht. Echter niet meer wakker geworden. Uit nader onderzoek bleek, dat de hersenstam niet functioneerde. Op zaterdagavond 24 maart is Martien overleden in het ziekenhuis te Jakarta.

Een diep gelovig en bezielend toegewijd missionaris was Martien met een groot geloof en diep vertrouwen in moeder Maria. Wij familie en scj-ers en velen in Indonesië en India zullie hem missen. In onze gedachten en herinneringen blijft Martien voortleven.

Van Martien is afscheid genomen in een plechtige eucharistieviering in de kerk van de H.Stephanus te Jakarta op maandag 26 maart 2018. Daarna is hij begeleid naar Pringsewu, Lampung en op woensdag 28 maart 2018 begraven op het kloosterkerkhof van scj en zusters Franciscanessen. Dat Martien rusten in vrede bij God.

Op donderdag 5 april 2018 om 14.30 is de herdenkingsdienst gehouden in de kerk van O.L.Vrouw, Marialaan 20, 5724 AB Ommel.

Nijmegen 16 april 2018 Heinz Baart s.c.j.

In memoriam

pater Johannes Petrus van Meer scj

Pater Jan van Meer werd geboren op 19 februari 1937 te Liesbosch, vlak bij ons seminarie. Zijn kindertijd bracht hij door tijdens de oorlog en hij had regelmatig als misdienaar contact met de paters, onder wie de paters Veringmeier en Raaijmakers, die hij later in Rome weer zou ontmoeten Niet vreemd dat Jan ook pater wilde worden. Zo ging hij op elfjarige leeftijd naar het Juvenaat in Bergen op Zoom. Daarna volgde het noviciaat in Asten, waar hij op 8 september 1965 zijn professie deed. Toen kwam Jan twee jaar weer dichtbij zijn familie om filosofie te studeren in Liesbosch. Omdat hij goed kon leren, mocht hij voor zijn theologiestudie naar Rome tot 1965. In Rome is hij priester gewijd op 23 december 1961. Zijn theologiestudie was precies tijdens de jaren van het Vaticaans Concilie en zo volgde Jan daar de vernieuwingen in de kerk en maakte zich deze eigen.

Na zijn Romeinse periode heeft hij korte tijd gedoceerd in ons studiehuis in Nijmegen. Hij verving pater Rohof, die deelnam aan ons vernieuwingskapittel. Jan gaf les uit het conciliedocument over de kerk. Na die periode in Nijmegen kreeg Jan een benoeming voor ons seminarie te Malpas in Engeland. Hier probeerde Jan een nieuwe onderwijsstijl in te voeren: de fraters mochten hem bij zijn voornaam noemen. Zo is Jan in ons Engelse provincie bekend als “father-Call-me-John”. Zijn verblijf te Malpas duurde niet lang. Jan kwam naar Tilburg om docent te worden aan de nieuw opgerichte theologische opleiding, het GIT. Jan nam deel aan een experimenteel onderwijsproject. Het was in de roerige zestiger jaren. Die nieuw opleiding was niet zo’n succes. Met de andere betrokkenen moest Jan naar een andere baan uitkijken. Met ingang van 1 oktober 1970 werd hij districtscatecheet in de regio Dongemond en hij verleende priesterlijke assistentie te Made. Jan begeleidde de leerkrachten van de scholen voor de catechese. Geen gemakkelijke opgave. Door zijn studie in Rome en aan het Hoger Katechetisch Instituut in Nijmegen is Jan een man geworden die volop in deze tijd stond. Tegelijk was Jan een man van de kerk, trouw aan de leer en de regels, maar hij wist van beide optimaal de ruimte te benutten die een eigentijdse uitleg van de leer en een gezonde en soepele toepassing van de regels mogelijk maakten. Met ingang van 1 december 1979 werd hij benoemd als waarnemend pastoor in de parochie H. Maria Hemelvaart te Prinsenbeek. Daar heeft Jan zijn band gekregen met de Lourdesbedevaarten van de VNB en de VGZ. Hij heeft jaren lang bedevaarten begeleid. Zijn laatste in 2010 was hij geen begeleider , maar een van de ‘gewone’ pelgrims. Hij kreeg toen de benoeming als erekapelaan van Lourdes. Een onderscheiding waar hij trots op was

Vanaf 21 maart 1989 was hij hoofd Pastorale Dienst in het voormalige St. Ignatiusziekenhuis te Breda. Op 1 juli 1994 werd Jan benoemd tot deken van het dekenaat Breda. Vanaf 1 augustus van dat jaar werd hij tevens benoemd als rector van de zusters Franciscanessen van de H. Elisabeth te Breda. De benoeming als deken van het dekenaat Breda is per 1 september 1999 na de herinrichting van de dekenaten overgegaan naar het dekenaat Baronie. De functies van deken en rector heeft hij meermaals gecombineerd met tijdelijke benoemingen als waarnemend pastoor in verschillende parochies in het bisdom. In deze functies heeft Jan kunnen meedenken over het bisdombeleid en hij kon er tevens vorm aan geven. Jan beschreef zijn leiderschap meer als begeleiden van zijn medepriester en kerkbesturen .Jan wist het vertrouwen van zijn mensen te behouden en had daarbij bijzondere aandacht voor de pastorale werksters en –werkers. Per 1 september 2001 werd hem eervol ontslag verleend als deken . Per gelijke datum stopten in verband daarmee zijn taken in de Bisdomraad, het Kapittel en de Priesterraad. Hij bleef evenwel voor het bisdom beschikbaar als waarnemend pastoor naar de continuering van zijn functie als rector. Daar kon hij nu veel aandacht aan besteden. Jan heeft veel mogen betekenen voor de zusters. Hij zorgde voor een verzorgde liturgie. Als adviseur van het bestuur heeft Jan zich in gezet rond de verhuizingen van de Meerten Verhofstraat via Alles voor Allen naar Valkenhove, waar de zuster nu wonen.

Van de andere kant hebben de zusters ook veel voor Jan betekend, op velerlei manieren, bijvoorbeeld door te zorgen voor een prima onderkomen. Jan zei een keer: ik ben geen volgeling van Franciscus en Clara. Iedereen wist wat hij bedoelde: Jan kon echt genieten van het volle leven. Bij zijn gouden priesterfeest beschreef men hem als een Bourgondiër. Hij genoot van zijn vrije tijd, van zijn vakanties (onder meer zijn reizen naar Indonesië voor de zusters). Hij hield van paardrijden, fitness en af en toe lekker eten. Het was hem van harte gegund.
De laatste jaren ging zijn gezondheid achteruit en hij leed veel pijn, die maar niet echt te verhelpen was. Toch bleef hij zoveel mogelijk actief, ook voor onze SCJ-provincie. Hij onderhield de band met de congregatie trouw, eerst als lid van de regionale communiteit West Brabant en later als adscriptus van de Duivelsbruglaan. Hij was jaren een gewaardeerd lid van onze financiële commissie.

Bij meerderen kwam de laatste tijd de vraag op hoe lang Jan nog zelfstandig kon blijven wonen. Ook de zusters maakten zich daar zorgen over, als ze Jan vaak moeizaam de straat zagen oversteken om van zijn flat naar Valkenhove te komen. Misschien mogen we zeggen dat zijn plotselinge dood een zegen voor hem was. Want zijn dierbare flat heeft hij zo niet hoeven te verlaten. Zijn geheel onverwachte dood op 23 januari 2018 was een hele schok voor ieder die hem kende, voor zijn familie, voor de zusters en voor de medebroeders.

Op maandag 29 januari hebben we afscheid genomen van Jan tijdens een Plechtige Eucharistieviering in de Michaelkerk te Breda. Daarna legden we hem te ruste op het kloosterkerkhof in Asten.

Breda, 19 februari 2018

Koos de Rooij scj

IN MEMORIAM BROEDER JOSAPHAT RUTGERUS BERNS SCJ

COTÉ

Geboren op 18 mei 1940 te Nijmegen

Geprofest op 8 september 1960 te Helmond

Ruud werd tijdens zijn vorming tot broeder in het juvenaat van Sittard tevens opgeleid tot timmerman. Hij ging naar het noviciaat te Helmond waar hij op 8 september 1960 zijn eerste kloostergeloften aflegde en lid werd van de Congregatie van de Priesters van het H. Hart. Daarna werd hij benoemd in het groot seminarie te Liesbosch en drie jaar later in het juvenaat te Bergen op Zoom. In 1966 kreeg hij de kans om mee te gaan werken in de toen nog jonge SCJ-missie in Chili. Die mogelijkheid greep hij graag aan en hij heeft daar geen spijt van gehad. Hij heeft er tot zijn overlijden gewoond en gewerkt met volle toewijding en enthousiasme.

Aanvankelijk werd hij gevraagd op ons H. Hart college te werken als timmerman. Maar het college had leraren nodig en hem werd gevraagd om wiskunde te gaan studeren. Aangezien hij geen in Chili erkende diploma’s had, werd er een stoomcursus opgezet om zijn Chileens MO diploma te behalen. Voor Coté, zoals hij in Chili gekend is, werd dit een mooie gelegenheid om de taal en de gewoontes van het land te leren van veel jongere scholieren. Met zijn MO diploma op zak ging hij naar de katholieke universiteit en is hij cum laude geslaagd als leraar met als specialisatie wiskunde.

Op twee colleges was Coté wiskunde leraar. Hele generaties leerlingen heeft hij begeleid en werd geprezen als een uitstekend leraar, die met zijn leerlingen niet alleen in de klaslokalen optrok maar hen ook begeleidde via de scouting op kampen en weekenden in de Chileense bossen en meren in het zuiden van het land. Alle herinneringen en trofeeën werden bewaard in doosjes en kisten, want het kan altijd nog van pas komen.

De laatste jaren na zijn afscheid van het klaslokaal bleef hij elke dag naar het college gaan, iedere leerling een hand gevend en een praatje van hoe gaat het, begeleid door de rector die een van zijn leerlingen was geweest.

Maar langzaam openbaarde zich een zware ziekte, die uiteindelijk het einde van dit waardevolle leven van onze broeder Coté betekende. Op 16 september 2017 vonden ze hem dood op de grond liggend voor zijn bed. De Heer van alle leven had hem geroepen om zijn loon als dienaar van velen te ontvangen. Op zondag 17 september 2017 is afscheid van hem genomen in de sportzaal van het Colegio Sagrada Corazón. Aansluitend is hij begraven op het SCJ kerkhof te Santiago. Coté: tot ziens.

Herman Leemrijse

Pastoor te Valdivia Chili.

In memoriam Pater Martien Konings.

Martien werd op 2 februari 1930 geboren te Hoeven als derde uit een gezin van 5 kinderen. In 1942 begon hij aan zijn opleiding voor het priesterschap: in Helmond, en Bergen op Zoom. Hij deed zijn eerste religieuze geloften te Asten op 8 september 1951. Studeerde daarna te Liesbosch en Nijmegen filosofie en theologie. Hier werd hij priester gewijd op 19 juli 1956 door Mgr. W. Mutsaerts. Zijn eerste benoeming werd een universitaire studie Klassieke Talen. Na het behalen van zijn Kandidaatsexamen ging hij in 1964 naar Helmond om les te geven en vanaf 1967 in Bergen op Zoom. Hierna werd hij nog voor een jaar benoemd als rector te Helmond. Hij was daar de laatste rector want het seminarie werd gesloten.

Een lang gekoesterde wens ging in vervulling zoals hij zelf zegt, “ik had graag eerder willen gaan, maar de gehoorzaamheid wilde mij als leraar Latijn en Grieks in een van onze kleinseminaries, van waaruit veel missionarissen zijn voortgekomen”. Na een korte voorbereiding vertrok hij in augustus 1969 naar Congo. Hij behoorde niet meer tot de jongsten, maar dat gaf niet. Daar kwam nog bij dat tijdens de rebellie 127 missionarissen in Congo waren vermoord, waaronder 28 SCJ-ers. Veel missieposten waren verlaten, precies in het gebied waar 15 van onze missionarissen door de Simba’s waren vermoord. Na een jaar van voorbereiding in Congo zelf. Dit om de cultuur beter te leren kennen, om minstens een lokale taal, het Swahili te leren. Om geleidelijk aan te acclimatiseren, want het klimaat is er moordend. Ging hij naar Wamba in het Oosten van Congo, wat te midden van de savanne en het equatoriale oerwoud ligt. In dat onmetelijke gebied met zijn vele “bij-kapellen”, verspreid over de velen dorpen die vaak met moeite en vele gevaren te bereiken waren, is hij 10 jaar lang gelukkig geweest en heeft er hard gewerkt. Zelf zegt hij: “Ik kon hun een bijbel geven en las hen daaruit voor, gaf uitleg over wat ik voorgelezen had. Ik kan U niet zeggen hoe tevreden zij waren en hoe ze zich verrijkt voelden. Vervolgens heb ik een school geopend voor de vorming van de catechisten. In die school onderrichten wij ook wat landbouwbeginselen en het fokken van dieren, hetzij voor eigen onderhoud van de catechisten en het financieren van de eigen gemeenschap, hetzij ter stimulering van de mensen om de vele, natuurlijke hulpbronnen te benutten. Het leven was er eenvoudig, en ik deelde er de kleine eenvoudige vreugdes en de vele zorgen van de mensen. Zij toonden zich altijd dankbaar en beschikbaar”.

In 1981 werd hij benoemt voor Kisangani, de stad telde toen driehonderdduizend inwoners, de derde stad van Congo. Nu telt ze ongeveer een half miljoen inwoners met een tiental grote stadsparochies. Ik had er geen moeite mee mij op dat nieuwe arbeidsveld in te voegen. De St. Jozefparochie die ongeveer zestigduizend zielen telde, waarvan ongeveer de helft katholiek was ging Martien opnieuw aan de slag. “Maar hier wachtte me een grote beproeving, zoals hij zelf verteld! Eerst een aanval van malaria, gevreesd door allen, maar die voor mij deze keer verschrikkelijk was. De complicaties waren mysterieus en veel erger dan de malaria. Ik moest terug naar m'n vaderland waar ze me gedurende maanden goede hoop gaven: 90% van de aandoeningen van mijn kwaal zou genezen. Maar ik zat met die overige 10%. Op Pasen kwam de uitspraak van de dokter die onverbiddelijk was: U zult uw verdere leven gehandicapt blijven aan beidde benen. Het was een schrikwekkend moment! Heel mijn verder leven: beperkt, afhankelijk, tot in de kleinste verlangens en behoeften van geen nut meer en tot last zijn voor velen. En het missiewerk in Afrika? Af en uit! Maar, ik herinnerde me dat ik gedurende al die maanden dat ik in het ziekenhuis onder behandeling was geweest, nooit gebeden had om mijn genezing; ik had alleen doorlopend herhaald: "Heer, uw wil geschiede." Welnu, vanaf die Paasdag ben ik doorgegaan met datzelfde gebed van aanvaarding en offer. Dit gebed heeft in mij elke dag opnieuw een evenwicht van kalmte en beschikbaarheid voortgebracht ten aanzien van iedere gebeurtenis in mijn leven. De artsen, familie en vrienden verwonderen zich daar vandaag de dag nog over. Na nog drie maanden in een revalidatiecentrum te hebben doorgebracht, gaf iemand van het centrum mij een papiertje, waarop geschreven stond: "Voor mij is het een vreugde geweest U te ontmoeten”.

Veel dank! Ik wens U nog een lang leven om de rijkdom van Uw geloof te delen met de armen, om troost te geven aan de bedrukten en vreugde aan wie droevig is. En dat ook U troost en vreugde mag ontvangen wanneer er een moment komt dat U het nodig hebt." Ik bewaar dat papiertje bij de kostbaarste zaken uit mijn leven, omdat het een soort tweede appèl geweest is en een bevestiging van mijn roeping nu als gehandicapte, met en voor gehandicapten”.

“Zelf zeg ik: ik ben goed gezond, ik heb twee sterke armen, ik kan me in mijn rolstoel voortbewegen, mijn vrienden hebben me een volautomatische auto geschonken, ik heb zoveel tijd dat ik me ook kan interesseren voor wie er erger aan toe is dan ik. Ik moet niet lamenteren over wat ik heb verloren; ik moet veeleer de Heer dankbaar zijn en tot rijpheid laten komen al wat ik nog tot mijn beschikking heb. En dit nog te meer, omdat mijn handicap me geen lichamelijk lijden geeft. Daarom heb ik besloten terug te keren naar mijn missie in Congo”. Mijn confraters waren er ofwel tegen of zij stonden er sceptisch tegenover. Mijn familie was bezorgd. Mijn provinciaaloverste in Zaïre liet me weten: "Wees niet bevreesd! Kom bij ons terug! Zo ben ik teruggegaan en voel me gelukkig. De zondag na mijn terugkeer in Kisangani heb ik de eucharistie gevierd vanuit mijn rolstoel, voor een zeer grote menigte gelovigen. Tijdens de preek heb ik, ik weet niet hoeveel keer, de woorden van Job aangehaald: "De Heer heeft me gegeven, de Heer heeft me ontnomen, zijn heilige wil zij geprezen". Mij ontsnapte evenmin niet weinig humoristische opmerkingen over mijn verblijf in het ziekenhuis en over mijn toestand in een wagentje. De mensen, die ook tranen in hun ogen hadden, glimlachten toen en klapten in de handen”. Maar de inspiratie van de Heer, mijn eigen toestand als gehandicapte en de raadgevingen van Mgr. Monsengwo, de aartsbisschop van Kisangani, hebben me ertoe gebracht, mij op een andere manier voor hen te interesseren, om missionaris voor gehandicapten te worden, om het “Goede Nieuws” ook naar hen en hun gezinnen uit te dragen. De toestand van de gehandicapten in Afrika is treurig. Niet alleen vanwege een ongeluk of armoede in hun omgeving en ondanks de zeer grote en bewonderenswaardige solidariteit die er heerst, in de familie en in de clan of stam van de Afrikanen. Wordt de gehandicapte, bijna altijd beschouwd of als een ongeluks-brenger, onheilsbode en slechterik, of als een ondraaglijke last. Daarom is een gehandicapte, over het algemeen genomen, een ongewenste, een randfiguur, een uitgestoten uit zijn familie en zijn dorp. En dit in het bijzonder als gevolg van bepaalde antwoorden en beschuldigingen van de medicijnman van het dorp. Toen Martien weer terug was en na rondgekeken en na nagedacht te hebben over wat hij concreet zou kunnen betekenen, is hij begonnen. De St. Jozef parochie bood hem twee lokalen aan; zelf vond hij wat stoelen en een tafel. Al gauw was een Congoleze fysiotherapeute bereid om mee te werken. Dag na dag vond hij het een en ander: wat stoelen, een bedje, geneesmiddelen, werktuigen enz. Na een jaar waren de twee lokalen niet meer voldoende. Vandaag telt het Centrum Simama (wat betekend: "sta op en wandel") drie lange paviljoens op 3 hectare grond, met een zeer geavanceerde uitrusting en een goed opgeleid medisch- en ander personeel. De verzorging is werkelijk "professioneel". Ook de Universiteitsklinieken en bepaalde grote ondernemingen sturen hun patiënten of hun assistenten naar Simama.

Toen zijn krachten afnamen en zijn gezondheid minder werd besloot hij definitief terug te keren naar Nederland. Maar eerst moest er een goede plaatsvervanger gevonden worden voor het gehandicapten-centrum. Gelukkig waren de broeders van Liefde uit Gent (België) bereid om het “Centre Simama” over te nemen. Zij waren reeds in Congo werkzaam. Na 44 jaar als missionaris geleefd en gewerkt te hebben in Congo kwam Martien op 1 november 2013 voorgoed terug naar Nederland. Waar hij ging wonen in het Sint Jozefklooster te Nijmegen. Om daar nog een lange tijd te kunnen genieten van een welverdiende rust en van zijn velen contacten en bezoekjes aan zijn zus Jo en zijn broer Peter, verdere familie, vrienden en kennissen, van wie hij veel hield, erg dankbaar was en met wie hij goede banden onderhield. Het was niet altijd gemakkelijk voor hem om na zoveel jaren afwezigheid in Nederland weer thuis te komen en vele dingen te accepteren. In het begin miste hij zijn gehandicapten. Maar ondanks alles kon hij veel zaken gemakkelijk wegwuiven en zeggen och het komt allemaal niet zo nauw. Ondanks dit alles bleef hij toch zijn goede humor en blijheid bewaren.

Martien wij zullen je meedragen in onze herinneringen en in ons hart. Bedankt voor je grote inzet, bedankt voor alles wat je deed voor jouw mensen in Congo, vooral voor de gehandicapten. Bedankt voor je broederlijke liefde, je lach en vriendschap, bedankt ook voor de wijze waarop jij jouw leven samen met je Zus Jo hier in huis en je broer Peter van wie je in het begin van dit jaar afscheid moest nemen. Moge de goede Vader je nu troostend in zijn armen nemen, dat Hij je nu voorgoed de diepste geborgenheid schenkt. Rust nu maar in Gods eeuwige vreugde, hij zal zeker met je zijn, want je bent echt welkom bij Hem.

Met fragmenten uit een interview gehouden in Kisangani door een Italiaanse medebroeder van jaren geleden.

Communiteit St. Jozefklooster. Wim Halters scj, rector.

In herinnering aan

PATER TOON VAN ROIJ S.C.J.

(Antonius, Martinus)

Geboren op 13 september 1926 te Asten.

Geprofest op 8 september 1948 te Asten.

Priester gewijd op 29 november 1953 te Olinda (Brazilië).

Overleden op 8 oktober 2017 te Asten.

Toon werd als tweede geboren in een gezin van veertien kinderen. Zijn vader was melkboer en ging met een handwagen langs de klanten.

In september 1940 ging Toon naar het klein seminarie Christus Koning in Helmond en daarna naar het Juvenaat in Bergen op Zoom. Tijdens de bezetting ook tijdelijk in Nijnsel. Na het noviciaat in Asten is hij op 8 september 1948 lid geworden van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus door het uitspreken van de kloostergeloften. Daarna heeft Toon de filosofie en één jaar theologie gedaan in Liesbosch en verder in Brazilië. Op 6 oktober 1951 is Toon vertrokken naar Noord-Brazilië. In Olinda heeft hij op 29 november 1953 de Priesterwijding ontvangen.

Pater Toon van Roij heeft gewerkt in verschillende parochies, eerst als kapelaan en later als pastoor. In parochies met een hoofdkerk en meerdere kapellen. Iedere maand werden die kapellen bezocht. In het begin per paard, later op een moto en vanaf 1992 in Campina Grande met een auto.

In alle plaatsen heeft hij ook veel gebouwd, met steun van de mensen in Asten. ’s Morgens vroeg was hij vaak bezig met bouwen en de rest van de dag met pastoraat. “Er zijn voor de mensen, beschikbaar zijn”, dat was de pastorale motivatie voor Toon.

Op de pastorie leefde hij samen met medebroeders. De laatste jaren in Campina Grande kreeg hij ook veel steun van mevrouw Esaurina.

Op 29 mei 1999 is Toon voorgoed teruggekeerd naar Nederland. Hij is komen wonen in ons klooster in Asten, dicht bij zijn familie. In september 99 is hij weer lid geworden van de Nederlandse Provincie.

De overgang naar Nederland vond hij moeilijk. Zo heeft hij verteld in het programma van de NCRV ‘Heilig Vuur’. “Het is moeilijk om na al die jaren in Brazilië, je weer thuis te voelen in het geestelijk klimaat van Nederland. De mensen in Brazilië zijn veel warmer en heel open. In Nederland zijn de mensen star, zo vond hij.

In de beginjaren na zijn terugkeer ging hij nog op assistentie in de omliggende parochies. Later ging hij dagelijks fietsen in de mooie omgeving van Asten. Hij was nauw betrokken bij alle lief en leed in de familie en zong ook mee in het familiekoor. Hij had een sterke band met hen en zij bleven hem ook trouw bezoeken tot het einde toe.

Toon hield ervan om mensen om zich heen te hebben. Dat hebben ze ook gemerkt bij Amalia-zorg in Hof van Bluyssen. Op 5 december 2016 is Toon daar opgenomen in de verpleegafdeling. Was hij niet in de huiskamer van zijn eigen afdeling dan wel ergens op de gang of in de huiskamer van een andere afdeling. “Hij is niet alleen jullie pater, maar nu ook onze pater van Roij”, als uiting van de band met verzorgenden en vrijwilligers in Hof van Bluyssen. Graag ging hij ook met broeder Jos Vrancken mee naar de kapel van de Missiezusters voor de viering van de Eucharistie. Op 13 september j.l. hebben wij hier in ons klooster zijn 91e verjaardag gevierd, samen met zijn broer en zus, schoonzus en zwager. Daar heeft hij intens van genoten.

In de nacht van 23/24 september is de situatie veranderd. We hebben hem nog gesterkt met het Sacrament van de Ziekenzalving. We namen afscheid van Toon. Wonder boven wonder kwam er toch nog een opleving. Maar in de nacht van 7/8 oktober mocht hij heengaan naar die andere werkelijkheid, waar hij intens naar had uitgezien.

Op donderdag 12 oktober hebben we in een Plechtige Eucharistieviering afscheid genomen van pater Toon van Roij en hem begraven op ons kloosterkerkhof in Asten.

Communiteit Klooster Heilig Hart, Asten.

Rein van Langen scj, rector

IN MEMORIAM PATER ALBERT VANDER ELST SCJ

1925-2017

Albert werd op 28 januari 1925 geboren in Zaventem, in een eenvoudig arbeidersgezin. Vader was chauffeur bij een postbedrijf. Later werden in hun gezin nog twee meisjes geboren, aanmerkelijk jonger dan Albert. Die drie kinderen hebben hun hele leven een goede band met elkaar gehouden. Moeder was kerks, vader niet zo erg. Zaventem was een sterk socialistische gemeente. Albert ging naar de gemeenteschool die in feite socialistisch was. Ondanks dat er amper aandacht werd besteed aan godsdienst, spreekt hij nog met waardering over het goede en moderne onderwijs daar, mede omdat hij er heeft leren schrijven in een goede stijl.

In de jaren ’30 was de grote bloeitijd van de Kajottersbeweging van Jozef Cardijn. Albert werd lid van de afdeling Zaventem, waar gespreksgroepen waren waar hij een bekwame onderpastoor ontmoette. Tevens werd hij begeesterd door de enthousiaste toespraken van Cardijn. Als 14-jarige werd hij zo op het idee gebracht om priester te worden. Vader was niet zo enthousiast…

Hij ging studeren in het Juvenaat H. Hart in Tervuren. Zo begon zijn levenslange band met onze Congregatie.

De opleiding tot religieus begon in juni 1944 in het noviciaat te Brugelette, een afgelegen dorp op het Waalse platteland. De voertaal en vorming was in het Frans, ook voor de Vlamingen. Novicenmeester was pater Piet(je) van Hommerich en later pater Denis. Van de oorlog en het einde daarvan hoorde men vrijwel niets; het was er wereldvreemd (“De enige vrouw die ik in dat jaar gezien heb was de boerin van het klooster”). De opleiding was eigenlijk meer gericht op het leven van een monnik.

Na de eerste professie en opname in de Congregatie (1945) begon de opleiding voor het priesterschap, in Leuven. De filosofie werd in eigen huis gegevens door SCJ’ers; voor de theologie ging men naar de Jezuïeten. Lessen en conferenties werden ook hier gegeven in het Frans. De intellectuele en spirituele vorming vond voor Vlaamse SCJ’ers dus plaats in een andere taal en cultuur: het geleerde werd in feite niet echt geassimileerd, iets van jezelf. Aldus het oordeel van Albert later. Bovendien werd de studie nogal verbrokkeld. In 1947/48 werd Albert (als Vlaming!) benoemd in het SCJ-Juvenaat in het Waalse Burnot: hij werd daar leraar Nederlands en tevens meteen prefect (sic). Daarna volgde de militaire dienst: na een “drilperiode” arbeid in een militair hospitaal in Elsene. Door zelfstudie behaalde hij in deze tijd de kandidatuur Rechten. Albert bleef ook later veel aan zelfstudie doen: door het vele werk dat er gedaan moest worden was er amper gelegenheid om medebroeders verder te laten studeren (“nood ging boven vorming”).

Op 13 juni 1952 werd Albert tot priester gewijd. Vader was heel trots en gelukkig met levenskeuze van zijn zoon.

Nu volgde één jaar studie Klassieke Talen en in 1954 werd Albert leraar in deze talen en tevens prefect in Tervuren. De interne leerlingen werden verondersteld priester te worden. De externen volgden ook zo’n beetje die opleiding. Na 1960 kwam de klad erin door de grote veranderingen in kerk en samenleving. Het aantal jongens dat priester wilde worden nam snel af. Begin jaren ’70 werd het internaat gesloten.

Persoonlijk maakte Albert grote veranderingen door, beïnvloed door het 2e Vaticaans Concilie en de ideeën van Rahner, Schillebeeckx, Wildiers, Vergote en anderen. Niet meer de min of meer Franse, traditionele en tijdloze spiritualiteit, zoals ook heerste in onze congregatie. Maar meer een wereld- en mensgerichte denken. Bij het generale kapittel van 1966/67 in Rome kwamen de nieuwe ideeën, mede door Albert, ter tafel wat uiteindelijk leidde tot nieuwe constituties.

In Tervuren was Albert inmiddels (1964) rector geworden van het klooster en ook van de school (tot 1968). Hij werd tevens directeur van een kleine zustersschool voor meisjes, het Sancta Maria Instituut, heel knus en gezellig (leerlingen haalde men zelfs per auto op). Hier kreeg hij bij de meisjes de naam “Onze Pa”. Deze school ging later op in het H. Hart College.

Albert was vanaf 1960 ook lid van het provinciaal bestuur van de in dat jaar opgericht Vlaamse provincie. In 1981 werd hij zelf de provinciaal overste. En ging wonen in Antwerpen. Die functie bracht hem er ook toe zich verder te verdiepen in de spiritualiteit van onze congregatie, de devotie tot het H. Hart. En in de ideeën van onze stichter pater Dehon. Hij ontdekte zo diens leven van sociale inzet. De transcendente God leerde hij meer ervaren in hart en handen van mensen. Sociale rechtvaardigheid werd speerpunt voor hem, niet meer het traditionele “eerherstel”. Zelf heeft hij niet gewerkt of gewoond in sloppenwijken; heeft ze wel gezien o.a. in Brazilië. En hij werd enige jaren in Antwerpen directeur van een onthaalcentrum voor daklozen.

In 1990 (inmiddels 65 jaar) werd er een beroep op Albert gedaan om in ons huis in de Cattoirstraat in Brussel een interprovinciaal vormingscentrum op te richten. Bestemd voor jonge medebroeders uit andere werelddelen die hier konden komen voor verdere studie (Leuven!) en vorming. Dit werd geen groot succes: de Fransen wilden liever een eigen opleiding, kandidaten kwamen maar mondjesmaat.

In 2002 verzocht het bestuur van de Vlaamse provincie om samenwerking of zelfs samengaan met de Nederlandse provincie. Men had vrijwel geen kandidaten meer voor een eigen bestuur. Een commissie ging dit onderzoeken en een oplossing voorbereiden. Leden waren Albert en broeder Theo Schurgers namens Vlaanderen, de paters Piet Schellens en ondergetekende namens Nederland. Dit resulteerde in een confederatie van beide provincies die in 2006 werd gestart. Uiteraard kwam Albert ook daar in het bestuur. Hij heeft in het totaal 52 jaar in een provinciaal bestuur heeft gezeten!

In deze periode werd steeds meer duidelijk dat de hoofdtaak van het bestuur werd het begeleiden van het einde van de SCJ-aanwezigheid in onze landen. Onze leden werden steeds ouder, zonder dat er nieuwe bijkwamen. Ook Albert ging zijn leeftijd voelen. In 2012 werd hij op eigen verzoek niet meer herkozen. Zijn communiteit in Brussel kon hem ook niet meer voldoende ondersteuning geven. Na een periode van onzekerheid koos hij toch voor een verblijf in ons klooster in Asten, waar hij in oktober 2016 zijn intrek nam. Hier kreeg hij de benodigde verzorging. Maar het was wel ver van zijn familie, van zijn bekenden en het vertrouwde Brussel.

Op 4 juli 2017 is Albert overleden, een week voor zijn 65-jarig priesterjubileum. Op zaterdag 8 juli hebben wij afscheid van hem genomen in de kapel van Asten: zijn familie, medebroeders uit de hele Benelux, vrienden en bekenden, verplegenden. Op het kloosterkerkhof aldaar is hij begraven. Een wijs en open man, intelligent, toegewijd aan velen. Vriend van de Franse cultuur, maar een Vlaming in hart en nieren.

Er is gebruik gemaakt van een interview dat ik enige jaren geleden met Albert heb gehad.

Klooster H. Hart te Asten.

Paul de Vries scj

Terug naar boven